Vrijdag 10 juni jl. Werden de bezuinigingsplannen voor de cultuur van Staatssecretaris Zijlstra openbaar. VVD-cultuurwoordvoerder Bart de Liefde reageerde in het artikel “Eindelijk aanpak van de cultuurbureaucratie” verheugd op de plannen van zijn partijgenoot.
“De VVD streeft naar een professionalisering van de culturele sector, dus ondernemingsplannen in plaats van subsidieaanvragen in drievoud. Ik realiseer me dat de maatregelen die worden genomen bij sommigen hard zullen aankomen, maar ben er van overtuigd dat die de oplossing zijn voor het structurele overaanbod van grauwe middelmaat. Kwaliteit en publieksbereik staan voorop”, stelt De Liefde.
Helaas kan ik weinig liberaals ontdekken in de plannen van Zijlstra. De (percentuele en absolute) omvang en het tempo waarmee deze bezuinigingen worden doorgevoerd en de onevenredige druk die op de regio wordt gelegd zullen leiden tot het omvallen van vele gezelschappen.
Heeft iemand zich ooit wel eens afgevraagd waarom juist de instellingen met de grootste budgetten het best in staat zijn om hun verdienpotentieel op te krikken? Dat komt omdat de beperkende factor bij vele gezelschappen en orkesten niet de goede wil of de creativiteit is om ondernemende plannen te bedenken, maar het gebrek aan middelen om deze plannen daadwerkelijk tot uitvoer te brengen. Inderdaad: geld maakt geld.
Echt liberaal zou het zijn geweest als ondernemerschap was gestimuleerd en beloond, nu hangt het “beleid” van halve en elkaar vaak tegenwerkende maatregelen aan elkaar (lees: wel ondernemerschap zeggen te stimuleren, maar ook de BTW verhogen). In dat opzicht moet ik constateren dat Plasterk met zijn overigens gemankeerde matchingsregeling, liberaler was dan dit VVD-beleid.
Wat had je wel kunnen doen om een liberale bezuiniging op cultuur te realiseren? Bijvoorbeeld de instellingen toch een jaar langer doorbetalen (de redenen die nu worden genoemd waarom dit niet zou kunnen zijn vooral OCW-planning-en-control-technisch van aard) en 100 miljoen van dat enorme bedrag aan frictiekosten dat nu wordt gereserveerd opzij zetten als een investeringsfonds. Op basis van ondernemingsplannen kunnen instellingen in 2012 een lening met lage rente uit dit fonds krijgen, die na succesvol uitvoeren van de plannen om alternatieve financieringsbronnen aan te boren, uiteraard (inclusief rente) weer terugvloeit. Het risico voor de overheid is nihil, het uitstralingseffect enorm en de schade aan de culturele sector kan beperkt blijven. Sterker nog: de sector kan hier echt beter van worden.
Tot mijn grote spijt ontbreekt een dergelijke grootse en meeslepende visie of zelfs maar de goede wil in die richting helemaal. Dit beleid lijkt eerder een regionale sterfhuisconstructie of een masterplan cultuurcentralisatie (want de relatief ongemoeid gelaten “top” zit in de Randstad en met bijvoorbeeld 3,5 miljoen voor de Nationale Reisopera gaat al het geld in activiteitenlasten zitten en niet in het “bijverdienen” of ondernemend zijn, en zo marginaliseert of diskwalificeert zo’n gezelschap zich vanzelf).
De door Zijlstra in Nieuwsuur van 10 juni jl. genoemde voorbeelden van Het Gelders Orkest en het Orkest van het Oosten, gaan in al hun ondernemerschap wel uit van investeren (en daarvoor ontbreekt het geld) en inverdientijd (en dit wordt door de Staatssecretaris zelf onmogelijk gemaakt).
Al met al is het dus niet zo vreemd dat de door de Staatssecretaris (terecht) verfoeide uitspraak “de wraak van Henk en Ingrid” steeds boven komt drijven. De visieloze wijze waarop de cultuur nu wordt afgebroken en het continu negatieve framen van cultuur en eenieder die in de cultuur werkzaam is (het door De Liefde genoemde “overaanbod” en de “grauwe middelmaat” en zelfs Rutte waagde na afloop van het kabinetsberaad te beweren dat kunstenaars en instellingen met de rug naar de maatschappij staan), werken gedachten aan revanchisme van de onderbuik als vanzelf in de hand.
Marc Altink
(Marc Altink is directeur van Forque Group)